Who’s afraid of SPECTRE?

Gepubliceerd op 17 december op de website van Cineville:

Cineville’s Grote James Bond Quiz staat voor de deur. En als olijf in de martini begonnen deze maand ook de opnamen voor de nieuwe Bond-film: SPECTRE. Een titel die bij veel fans een snaar zal raken. Waarom? Bondfan Maurice van Turnhout legt uit.

James Bond, die had het toch altijd met de Russen aan de stok? Raadpleeg de eerste zeven Bond-romans van Ian Fleming, gepubliceerd tussen 1953 en 1959, en je kunt nauwelijks tot een andere conclusie komen: telkens opnieuw kruiste geheim agent 007 de degens met SMERSH, de moordbrigade van het Rode Leger. Le Chiffre, Dr. No, Goldfinger – als puntje bij paaltje kwam stonden al deze memorabele booswichten bij SMERSH op het loonstrookje.

Dat kon zo niet langer, besloot Fleming in de lente van 1959. Samen met de Ierse producent Kevin McClory en enkele vrienden schreef hij aan een filmscenario met als werktitel James Bond of the Secret Service. In de synopsis waren de tegenstanders zoals gebruikelijk communisten uit het Oostblok. Het was Fleming zelf die terugkrabbelde: ‘De productie van de film zal twee jaar in beslag nemen, en in de tussentijd is het niet ondenkbeeldig dat er vrede wordt gesloten met de Russen.’

Het einde van de Koude Oorlog liet uiteindelijk nog dertig jaar op zich wachten, maar toch leek Flemings optimisme in 1959 niet ongegrond. Moskou maakte destijds serieus werk van de destalinisatie. Later dat jaar zouden voorzitter Chroestsjov en president Eisenhower elkaar in Genève de hand schudden.

Waarschijnlijk werd Flemings voortschrijdend inzicht niet enkel uit ideële, maar ook uit commerciële overwegingen geboren: aan de andere kant van het IJzeren Gordijn bevond zich immers een volledig onontgonnen publiek, dat nog nooit van Bond had gehoord. Beter dus om de Sovjets voortaan te sparen. ‘Maar als ze doorgaan met het afschieten van cyanidepistolen in de gezichten van diverse mensen, dan begin ik weer,’ dreigde Fleming in een Playboy-interview.

Als neutraal alternatief voor SMERSH verzon producent McClory een crimineel genootschap dat de twee supermachten Verenigde Staten en Sovjetunie uit winstoogmerk tegen elkaar uitspeelt. Fleming zag het wel zitten. Hij kwam met een naam voor die fictieve organisatie: SPECTRE, een samentrekking van ‘Special Executive for Counterintelligence, Terrorism, Revenge and Extortion’.

Toen de filmplannen met McClory spaak liepen, bewerkte Fleming het ongebruikte scenario van James Bond of the Secret Service tot de roman Thunderball. En passant bedacht hij een boegbeeld voor het ideologisch ongebonden SPECTRE: Ernst Stavro Blofeld. In de twee volgende boeken ontpopte Blofeld zich tot Bonds meest geduchte vijand, zijn Professor Moriarty.

Blofelds Maopak

De eerste James Bond-film Dr. No verscheen in 1962, het jaar van de Cubacrisis. Aangezien de film ging over gemarchandeer met raketten op een Caribisch eiland, liepen plot en actualiteit griezelig parallel. Toch waren de filmmakers behoedzaam. Als Bond (Sean Connery) veronderstelt dat zijn tegenstrever voor ‘het Oosten’ werkt, schampert No (Joseph Wiseman): ‘Oost, West, het zijn louter uiteinden van het kompas, allebei even stompzinnig.’ No blijkt lid te zijn van SPECTRE, de apolitieke organisatie die Fleming een jaar eerder in zijn roman Thunderball introduceerde.

Bond-producenten Albert R. Broccoli en Harry Saltzman waren doorgewinterde showbizzveteranen. Meer nog dan Fleming waren ze zich bewust van de internationale markt: als de spanningen tussen Oost en West zouden afnemen, moest een publiek in Vladivostok net zo van de Bond-films kunnen genieten als een publiek in Boise, Idaho. SPECTRE bleek de volmaakte buffer tussen de fantastische wereld van de Bond-films en de grimmige realiteit van de Koude Oorlog.

Enkel de vijfde Bond-film You Only Live Twice (1967) week af van het beginsel van een neutraal SPECTRE. Blofeld (Donald Pleasence) wordt hier door Chinese partijbonzen gesteund, en voor de gelegenheid heeft hij zijn business suit vervangen voor een Maopak.

Het is tekenend voor de tijd: China was inmiddels uitgegroeid tot een atoommacht, en veel mensen – ook in de Sovjetunie – vreesden de slagkracht van de jonge Volksrepubliek. Die angst klonk door in films zo divers als John Frankenheimers The Manchurian Candidate (1962) en Ingmar Bergmans Nattvardsgästerna (1963). Kennelijk waren de Bond-producenten niet bang dat ze door de associatie van SPECTRE met China het potentiële marktaandeel van miljoenen Chinezen mis zouden lopen.

Blofelds ideologische bevlieging – aangenomen dat die niet geveinsd was – bleek overigens van korte duur. In On Her Majesty’s Secret Service (1969) en Diamonds Are Forever (1971) opereerden de leden van SPECTRE weer als freelancers.

Kapitalistische uitbuiters

Omdat Fleming nooit toestemming had gevraagd aan zijn schrijfpartners om het scenario van James Bond of the Secret Service tot roman te bewerken, kreeg Kevin McClory in 1963 de filmrechten op Thunderball in handen. Daarmee werd hij ook mede-eigenaar van Blofeld en SPECTRE. Toen McClory begon te morren moest er voor The Spy Who Loved Me (1977) een andere apolitieke stokebrand worden verzonnen. Dat werd scheepsmagnaat Karl Stromberg (Curd Jürgens), een schurk die in zijn voorkomen verdacht veel wegheeft van Blofeld.

In diezelfde film kreeg Flemings toenadering tot de Russen een logisch vervolg. Bond (Roger Moore) spant in het kader van de actuele ontspanningspolitiek samen met KGB-agente Anya Amasova (Barbara Bach), zelfverklaard vijandin van ‘kapitalistische uitbuiters’. Toegegeven, honderd procent betrouwbare partners zijn de Sovjets niet in The Spy Who Loved Me: tijdens de proloog proberen ze Bond nog te vermoorden.

Ook smokkelden de scenaristen een even subtiel als venijnig grapje ten koste van het Kremlin de film binnen. Twee jaar eerder was het laatste deel van De Goelag Archipel verschenen, de getuigenis van Aleksandr Solzjenitsyn over de strafkampen van de Sovjetunie. Als Anya meedeelt dat ze in Siberië een survivaltraining heeft gevolgd, zegt Bond droog: ‘Dat geldt geloof ik voor veel landgenoten van je.’

In latere Bond-films als Octopussy (1983) en The Living Daylights (1987) kwamen nog wel Russische schurken voor, maar dan ging het bijna altijd om radicalen of profiteurs, niet om lieden die door het Presidium getolereerd werden. Na de val van de Muur werd het steeds lastiger om een actuele tegenstander voor Bond te vinden, die niemand voor het hoofd zou stoten: drugsbaronnen, mediatycoons en afvallige MI6-collega’s van Bond passeerden met wisselend succes de revue.

Mediasensatie

Nu lijken aan deze zorgen een einde te komen. Vorig jaar november troffen de Bond-producenten een schikking met de erven McClory, waardoor ze SPECTRE en Blofeld voor het eerst in meer dan veertig jaar kunnen gebruiken. En getuige de titel van hun jongste productie laten ze daar geen gras over groeien.

In de laatste Bond-film Skyfall (2012) verzuchtte M (Judi Dench) dat Bonds vijanden niet meer herkenbaar zijn aan een vlag of ideologie, maar dat het juist stateloze lieden zijn die verstoppertje spelen in een schaduwwereld. De herintroductie van SPECTRE sluit hier perfect op aan. Bovendien strijk je er niemand mee tegen de haren in. Hoe gretig ze ook naar ontwikkelingen in de reële wereld verwijzen, de Bond-films zijn bedoeld als onschuldig escapisme en niet als propaganda.

Er werd in Noord-Korea nog wel gefoeterd over de representatie van het land als schurkenstaat in Die Another Day (2002), een van de meer tactloze Bond-films – maar dat was nog niets vergeleken met de recente rampspoed rond Sony’s ‘Kim Jong-un komedie’ The Interview.

Volgens cultureel antropoloog Lee Drummond waren de Bond-films in de jaren zestig ‘de eerste daadwerkelijk globale mediasensatie’, een fenomeen dat culturele en sociale achtergronden oversteeg. Dat was deels te danken aan het feit dat de producenten zo behendig waren in het omzeilen van politieke gevoeligheden.

Toch oppert Drummond (en met hem vele academische critici) dat de neutraliteit van de Bond-films slechts schijn is, en dat ze op een dieper – of beter gezegd oppervlakkiger – niveau wel degelijk propagandistische trekken vertonen. James Bond was van meet af aan een sandwichman voor typisch Westerse aspiraties: voor het bezitten van gadgets, stijlvolle kleren en snelle auto’s. Door het propageren van de kapitalistische levenswijze stal Bond in de jaren zestig wereldwijd de harten van social climbers en maakte hij een lange neus naar die steile communisten. Niet door ze rechtstreeks aan te vallen, maar door te doen wat snobs eigen is: zich superieur opstellen.

Ironisch genoeg staan zowel Bond als zijn aartsvijand, het door winst gedreven SPECTRE, voor het kapitalisme – de ‘goede’ en ‘kwade’ pendant ervan. Want Bond houdt, als vertegenwoordiger van oude waarden als moed, beleid en trouw, nog altijd een flinke morele voorsprong.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *