Theo van Gogh, het zwarte schaap

Bewerkte versie van een essay dat eerder verscheen op 18 oktober in Trouw Letter & Geest:

Maurice van Turnhout

Alleen in Nederland kun je een televisieprogramma Het zwarte schaap noemen, om het vervolgens vorm te geven als een publieke hoorzitting. Een programma waarin geruchtmakende vrijdenkers een podium krijgen, dat tegelijkertijd een beklaagdenbankje is. De gast mag zijn kunstje doen, maar dan wel in de hoek, met een paar ezelsoren diep over de kop getrokken. Van twee walletjes eten noem je dat.

Voor de uitzending van 8 juli 2000 van het VARA-programma Het zwarte schaap was Theo van Gogh uitgenodigd. En hij kwam natuurlijk, zoals hij altijd bereid was om overal op te komen draven, het eeuwige sigaretje tussen de vingers, de wallen onder zijn ogen door de afdeling make-up – op eigen verzoek – wat aangezet om extra sinister over te komen. Tot de jury behoorden onder meer PvdA-raadslid Fatima Elatik, literatuurwetenschapper Solange Leibovici en Privé-reporter Barbara Plugge.

Dit was het jaar 2000, de hoogtijdagen van de consensuscultuur van Paars. De Twin Towers stonden nog fier overeind, Pim Fortuyn was een excentrieke columnist bij Elsevier, en Theo van Gogh maakte schreeuwerige televisieprogramma’s voor Veronica.

Eén van de bewijsstukken die in Het zwarte schaap aan het volk werd gepresenteerd, was een kort fragment uit Van Goghs recente programma ’t Is hier verschrikkelijk gezellig. Hierin was te zien hoe Van Gogh een receptie in politiek Den Haag bezoekt, met in zijn kielzog ‘mevrouw Van Gogh’, een in boerka geklede actrice die een dienblad vol hapjes met zich mee torst.

Van Gogh spreekt enkele gasten aan, allemaal kopstukken van het Paarse establishment, en bedeelt hen een rol toe in een door hem geregisseerd toneelstukje. “Ik heb mevrouw Van Gogh laten besnijden,” vertrouwt hij VVD-minister Frank de Grave toe, “Daar worden de vrouwtjes rustig van”. De bewindsman, zichtbaar in verlegenheid gebracht, reageert met een liberale standaardbabbel: “Wat jij met je leven wil doen moet je zelf weten, joh”.

De Grave’s partijgenoot Annemarie Jorritsma trakteert Van Gogh juist op een moederlijke berisping: “Nu moet je ophouden”. Zonder eten naar je kamer!

Aan het einde van het fragment toont Van Gogh, satanisch grijnzend, een van ketchupspatjes voorzien mes aan de camera: “En daarom, in het kader van de culturele integratie: clitorisbesnijding in het ziekenfonds. Een zegen voor ons allemaal.”

Politiek engagement

Terug in de studio van Het zwarte schaap verdedigt Van Gogh het fragment door zich te beroepen op zijn recht om satire te maken over alle geloven binnen de multiculturele samenleving. Goed, de scène getuigt dan misschien niet van een voorbeeldige smaak, maar het onderwerp is volgens hem wel degelijk relevant. Op hoge toon stelt Van Gogh de vraag: “Waarom mag ik wel het christendom belachelijk maken, maar niet de islam?”

Elatik werpt tegen dat Van Gogh ook geen recht heeft om het christendom te beledigen, omdat er zoiets bestaat als een verbod op smalende godslastering. Maar van dat argument wil Van Gogh niets weten. In 1995 probeerde de Bond tegen het Vloeken hem te veroordelen op zijn sneer naar de ‘supportersvereniging van die rotte vis uit Nazareth’. Van Gogh won deze zaak. Zijn conclusie: het mag dus.

Ook een roep om basaal respect van Elatiks kant vindt bij Van Gogh geen weerklank: “Ik heb geen enkel respect voor gelovigen. Respect is een penosewoord.”

Volgens Van Gogh heeft de invoer van een absolute vrijheid van meningsuiting als voordeel dat je iedereen ongezouten de waarheid kunt zeggen. En als bijkomend voordeel kun je ‘de vijand’ recht in de ogen zien. Pas als Holocaustloochenaars en racisten ongecensureerd hun zegje kunnen doen, kun je ze openlijk bestrijden en vallen ze vanzelf door de mand. In de Verenigde Staten was dat ideaal van free speech al een feit, in Nederland stond anno 2000 het verbod op godslastering nog in de weg. Het was Van Gogh een doorn in het oog.

Opvallend is dat hij de besnijdenisscène uit ’t Is hier verschrikkelijk gezellig als satire duidt, zonder daarmee de angel eruit te halen. Ironie kan soms erg obscuur zijn, maar dat is hier zeker niet het geval. Zelfs een kind begrijpt dat Van Gogh niet echt van mening is dat vrouwenbesnijdenis in het ziekenfondspakket moet.

Ondanks de ludieke opzet bevat het fragment een voor Van Gogh belangrijk, tweeledig statement: de fundamentalistische islam bedreigt de in het Westen verworven liberaal-democratische vrijheden, en de Paarse regenten kijken liever de andere kant op. Van Goghs noodzaak om satire te bedrijven komt daarmee voort uit engagement, hoewel niet het soort engagement waar de politici van Paars zich mee identificeerden.

Reviaanse ironie

Dit wordt nog duidelijker bij herlezing van Van Goghs columns. Hier gebruikt Van Gogh ironie om afstand te scheppen tot maatschappelijke kwesties die hij als pijnlijk of onrechtvaardig ervoer. Met Reviaanse ironie als buffer was hij in staat om ze te bespreken. Volgens Bas Heijne was Gerard Reve ook altijd maar ‘half ironisch’, en waren zijn meest geslaagde sneren een mengeling van ‘hyperbolische agressie die echte woede uitdrukt’ en ‘komische onmacht’.

Verwijzend naar zowel Reve als Van Gogh schreef journalist Ian Buruma dat ironie een typisch Nederlandse traditie is, met goede en slechte kanten: “Ironie kan een gezond tegengif tegen dogmatisme zijn, maar ook een vrijbrief voor onverantwoordelijkheid. Extreme en agressieve uitspraken worden nadat de gifpijlen doel getroffen hebben vergoelijkt door de bewering dat het maar schertsend bedoeld was.”

Voorbeeld: in maart 1974 werd de ‘romantisch-decadente’ volksschrijver Reve geïnterviewd door Willem Leonard Brugsma van de Haagse Post. Die confronteert Reve met een eerdere uitspraak over Surinaamse migranten: “Alle koffiebonen in de jumbo en opgedonderd”. Eerst moet Reve er zelf nog wat om grinniken. Dan schiet hij in de verdediging: met zijn uitspraak wilde hij juist aandacht vragen voor de ontreddering van mensen die in de Nederlandse samenleving moeten assimileren.

Reve geeft voorts toe dat veel van zijn sick jokes eigenlijk gesublimeerde kroegpraat zijn: “Als ik dat nou in een gezelschap zeg, schiet iedereen in de lach. Het ligt er maar aan hoe je het brengt.”

Toch heeft Brugsma een open zenuw geraakt. Na het vraaggesprek neemt Reve Brugsma apart. Het was ‘tactisch niet handig’ om het jumbo-citaat tegen hem te gebruiken, sputtert Reve: “Allemaal koren op de molen van het gepeupel en het schorem.” Als hij een jaar of vijf later terugblikt op de affaire geeft Reve toe dat hij zelf over de schreef ging. “Toen was ik zo geïrriteerd dat mijn uitlatingen bijna racistisch werden. En dat is niet goed te keuren. Die ironie is niet altijd goed overgekomen.”

Groot verschil met Reve is dat Van Gogh nooit op een dergelijke manier zijn woorden inslikte. Een ander verschil is dat Van Gogh bij mijn weten nooit heeft beweerd dat alle moslims maar op moesten duvelen, ook niet tongue in cheek. Genadeloos spotten deed hij wel, door fundamentalistische moslims in zijn columns consequent aan te duiden met het woord ‘geiteneukers’. De Belgisch auteur Tom Lanoye verwoordde in het blad Passionate de ergernis van velen: “(…) als je honderd keer dezelfde botte grap maakt wordt het propaganda en is het niet grappig meer.”

Daar heeft Lanoye een punt, maar Van Gogh heeft zijn schimpscheuten waarschijnlijk ook niet louter als grap bedoeld. Als kritiek op Ian Buruma merkte Theodor Holman op dat je Van Gogh eerder van ‘te weinig ironie’ kon betichten dan van een overdaad daaraan. Van Gogh relativeerde zijn eigen persoonlijkheid weliswaar als ‘dorpsgek’, maar daarmee wilde hij niets aan zijn uitspraken afdoen. De herhaling van het scheldwoord was eerder een manier om te onderstrepen dat je op basis van geloof in een God niet automatisch respect af kan dwingen. Van Gogh veronderstelde dat zijn lezers over genoeg gezond verstand beschikten om zelf een oordeel te vormen.

Sick joke

Als Bas Heijne gelijk heeft en de Reviaanse ironie een sublimatie is van woede en onmacht, dan maakte Theo van Gogh in zijn woede en onmacht vaak de wildste sprongen. Op zijn allereerste opiniestuk ‘Messias zonder kruis’, in 1984 gepubliceerd in het filmtijdschrift Moviola, volgde de ene rechtszaak na de andere. Van Gogh beschuldigde schrijver Leon de Winter van het exploiteren van de Shoah, en hij kleedde zijn argumentatie aan met provocerende grappen over onder andere de karamellucht van ‘suikerzieke joden’ in de verbrandingsovens.

Die frasen schoten bij velen in het verkeerde keelgat. In een doorwrocht essay oordeelde historica Evelien Gans dat Van Gogh weliswaar geen antisemiet was, omdat hij niet opriep tot Jodenhaat, maar dat hij wel flirtte met antisemitisme om een reputatie als sacre monstre te vestigen.

“In dat stuk heb ik op een verkeerde manier gebruik gemaakt van de sick joke,” licht Van Gogh toe in de uitzending van Het zwarte schaap. Hij had de ‘kitsch’ van Leon de Winter beter niet af kunnen zetten tegen het reële leed in de concentratiekampen. Maar toegeven dat hij het niet zo had mogen opschrijven? Dat nooit. Van Gogh betreurt het vooral dat hij met zijn wrede grappen ammunitie had verschaft aan de mensen die hem jarenlang voor de rechter bleven dagen. In 1990 had die rechtsgang zelfs tot een veroordeling geleid, waar Van Gogh later weer van was vrijgesproken.

Volgens De Winter was de hele affaire begonnen omdat Van Gogh verbolgen was dat de schrijver van La Place de la Bastille met zijn Eerste Amsterdamse Filmassociatie wél subsidie kreeg van het Filmfonds, en rijkeluiszoontje Van Gogh niet.

Submission

Viel ‘t is hier verschrikkelijk gezellig nog binnen de grenzen van de satire, in de loop der jaren liet Van Gogh het ludieke rollenspel steeds meer achterwege. Zijn kritiek op de multiculturele samenleving vernauwde zich na 11 september 2001 en de moord op Pim Fortuyn tot islamkritiek. Voorheen was hij altijd een vrij marginale opiniemaker geweest, maar met zijn column in de gratis krant Metro kreeg Van Gogh ineens een roeptoeter van formaat in handen.

Toen vier jaar na ’t Is hier verschrikkelijk gezellig opnieuw een actrice zich voor Van Gogh in een boerka hees, bleven de grapjes achterwege. Het betrof nu de door VVD-politica Ayaan Hirsi Ali geschreven kortfilm Submission. Opnieuw confronterende beelden, dit keer van Koranteksten geprojecteerd op gegeselde vrouwenlichamen.

Producent Gijs van de Westelaken doet Submission nu af als een ‘Ayaan-film’, omdat de typische zwarte Van Gogh-humor ontbreekt. Die relativering van Van Goghs auteurschap is enerzijds begrijpelijk, de titel is immers besmet door de moord. Met Submission maakt Van Gogh zich weliswaar ondergeschikt aan Hirsi Ali’s confrontatiepolitiek, de film is wel degelijk van zijn hand. De boodschap was dezelfde als bij ’t Is hier verschrikkelijk gezellig: de fundamentalistische islam bedreigt de vrijheid, met name die van de vrouw. Van Goghs belangrijkste thema’s, de strijd tussen de seksen en de oorlog der ideeën, kwamen met Submission bij elkaar.

Toen bleek dat Submission geen satire was maar een pamflet, werd Van Gogh daar – opvallend genoeg –op afgerekend door dezelfde critici die hem eerder altijd verweten zijn boodschap met omlijstende flauwekul te ondergraven. Nu er een Theo van Gogh was opgestaan zonder tong in de wang, een Van Gogh die nota bene met een invloedrijk Kamerlid samenwerkte, klopte het voorheen zo overzichtelijke rollenspel ineens niet meer. Je kon Theo van Gogh verfoeien, of zijn werk met de mantel der liefde bedekken door hem als een puber af te schilderen, maar hem volledig serieus nemen, daar had hij als zelfbenoemde ‘dorpsgek’ toch nooit enige aanleiding toe gegeven?

Pasolini

Tom Lanoye, over het algemeen dus bepaald geen fan van Van Gogh, sloeg de spijker op zijn kop toen hij schreef dat de Nederlandse intelligentsia Van Gogh na de moord probeerde weg te relativeren door hem in een soort Pietje Bell-traditie te plaatsen: “Zou ook maar iemand na de moord op Pasolini vertederd hebben gesproken over het wegvallen van ‘onze Pinocchio’?’”

Ook al kan geen enkele Van Gogh-film zich meten met het werk van Pasolini, de associatie is zo gek nog niet. De twee filmmakers deelden een met de jaren toenemend moreel pessimisme. Ze verfilmden allebei Euripides’ Medea, zij het op volslagen verschillende wijze. En ze werden allebei – triviaal detail – op Allerzielen vermoord.

Maar terwijl Van Gogh zichzelf profileerde als ‘dorpsgek’, stond Pasolini in zijn vaderland bekend als ‘intellettuale scomodo‘, intellectuele provocateur. Pasolini – lid van de generatie van Van Goghs ouders – was niet bang om een grootse visie op Italië te formuleren, een visioen dat werd geschraagd door het soort maakbaarheidsgeloof waar Van Gogh een broertje aan dood had. Zo zag Pasolini Italië als een land dat zich weer moest oriënteren op de waarden van de oude ‘volkse’ cultuur, maar wel met het vizier gericht op een ‘oprecht marxisme’.

We hebben Theo van Gogh nooit horen spreken over de natuurlijke staat van de oude Germanen, of over de noodzaak om een bepaalde ideologie te implementeren. Hij noemde zichzelf een dominee van de ‘nihilistische gemeente’.

Maar toen hem in juni 2001 door NRC Handelsblad werd gevraagd om uit te drukken welke waarden hij nu eigenlijk wél verdedigde, wijdde hij uit over de Nederlandse ‘angst voor het eigene’. Woorden die ook door Bolkestein en Fortuyn werden gebruikt, en die doen denken aan het door Roger Scruton gemunte en door Thierry Baudet in Nederland gepopulariseerde concept van ‘oikofobie’. Dat eigene was volgens Van Gogh – wederom zonder ironie – te vinden in het Nederland van Spinoza, en het Amsterdam waar de boeken van Voltaire voor het eerst werden gedrukt. Hij voegde eraan toe “(…) dat Wim T. Schippers nergens ter wereld op televisie zo tegen de schenen van God en de gelovigen zou mogen aanschoppen als uitgerekend hier. (…) Dat Provo er eerder was dan de beweging van mei ’68. (…) Is dat veel? Voor mij is ’t genoeg.”

Die opsomming is niet de schouderophaling van een nihilist. Wel van een atheïst die de rede als maatstaf der dingen ziet. De Van Gogh-persona uit ’t Is hier verschrikkelijk gezellig zou je kunnen zien als een verre, grimmige verwant van Sjef van Oekel, maar je kunt in dat verband ook denken aan het antiautoritaire rollenspel van Provo – de gezonde roker als een bastaardzoon van de anti-rookmagiër.

Hufter en dominee

“Waar ’t om gaat is dat de allochtone medemens serieus wordt genomen en dus even belachelijk gemaakt als autochtonen,” schreef Van Gogh eind jaren negentig over de door hem gemaakte, maar nooit uitgezonden comedyserie Au!.

Voor Van Gogh vormden het absolute recht op vrije meningsuiting en het kunnen incasseren van spot blijkbaar een formule, die een emanciperende werking als uitkomst had. Een burger die zichzelf en zijn opvattingen kan relativeren, is een weerbare burger. Als dit idee hem daadwerkelijk ernst was, kunnen we Van Gogh toch nog op een maakbaarheidsgedachte betrappen: het idee dat je mensen door spot kunt omtoveren tot verlichte humanisten.

Het huidige Europa wordt gekenmerkt door een culturele spagaat. De meeste mensen zijn wel bereid om de kernwaarden van de Verlichting te beamen, maar ze zijn ook huiverig om die waarden te verabsoluteren. Dat zou immers teveel op religieuze dogmatiek lijken, en daar was het nu juist allemaal om begonnen. Misschien is die weifelende houding mede veroorzaakt omdat de filosofen van de Verlichting ons hebben geleerd om alles aan de kritische rede te onderwerpen, niet in de laatste plaats de kritische rede zelf.

Theo van Gogh brak door die weifeling heen en trad op als een stormram van de rede, beukend tegen de poorten van het geloof. Karel van het Reve, de Geleerde Broer van de Volksschrijver, was het met Van Gogh eens dat het – inmiddels gesneuvelde – verbod op smalende godslastering een smet vormde op het Nederlandse rechtsstelsel. Je moet kunnen zeggen wat je op je lever hebt, desnoods smalend, of mensen daar nu tegen kunnen of niet. Maar Van het Reve besefte ook dat het onaardig en bovendien contraproductief was om mensen voortdurend op hun eksterogen te trappen.

Van Gogh gedroeg zich vaak als een hufter, maar de veel voorkomende neiging om het fenomeen van de ‘verhuftering’ geheel op zijn conto te schrijven lijkt mij niet terecht. Dat fenomeen is waarschijnlijk veel ouder dan Van Gogh. Misschien zit het zelfs wel ingebakken in de Nederlandse volksaard: de hufter als wolfskleed van de dominee.

Wat Van Gogh verder onderscheidde van de bataljons aan anonieme reaguurders die in zijn schaduw opereren, was zijn bereidheid om zelfs zijn meest krasse uitspraken op te volgen met debat en dialoog. Ook met moslims ging hij in gesprek. En het liefst zo openbaar mogelijk, in de televisiestudio’s van Hilversum. Het idée fixe dat hij op geen enkele manier verantwoordelijkheid nam voor zijn uitlatingen gaat dus niet op. Velen zullen tegenwerpen dat die optredens alleen waren bedoeld om zijn eigen drang naar aandacht te bevredigen. Dat is goed mogelijk, maar een dergelijke ijdelheid tref je ook aan bij opiniemakers die minder controversiële uitlatingen doen.

Onlangs verkondigde Yoeri Albrecht dat Theo van Gogh ‘eigenlijk links’ was, misschien in een poging om hem te rehabiliteren in de ogen van het Baliepubliek. Het zijn immers vooral rechtse populisten die Van Gogh hebben geclaimd, en die hem als ‘volksheld’ op één hoop gooien met Fortuyn en Geert Wilders. De columnist Van Gogh zag het als zijn ‘zedelijke plicht’ om de oppositie te steunen. Altijd tégen de ‘arrogantie van de macht’. Links en rechts proberen Van Gogh nu te annexeren, maar dat is de pest met vrijdenkers: die kun je niet claimen. Die behoren niemand toe, alleen zichzelf.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *